Winter

mannelijk (de)/ˈwɪntər/

Wat is de betekenis van Winter?

Winter betekent: het vierde van de vier seizoenen: op het noordelijk halfrond van 21 december tot 20 maart, op het zuidelijk halfrond van 21 juni tot 20 september

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vierde van de vier seizoenen: op het noordelijk halfrond van 21 december tot 20 maart, op het zuidelijk halfrond van 21 juni tot 20 september

Voorbeelden van "Winter" in een zin

  • Zou hij hier in de winter zijn geweest? Het zou kunnen; nu Nella dwars door de boomgaard heen loopt, kan ze het zich niet meer herinneren.
  • Een geliefde vakantiestad voor skiërs in de winter en watersportliefhebbers in de zomer.

Betekenis en uitleg van Winter

Winter is het koudste seizoen van het jaar, dat volgt op de herfst en voorafgaat aan de lente. Het wordt gekenmerkt door lagere temperaturen, vaak sneeuw en een kortere daglichtperiode.

Dit woord gebruik je vooral in de context van het weer en seizoenen. De winter roept beelden op van gezelligheid binnenshuis, schaatsen op natuurijs, en de feestdagen zoals Kerstmis en Oud en Nieuw. Het seizoen heeft ook een symbolische betekenis van rust en bezinning, vaak in contrast met de drukte van de zomer.

Voorbeelden

  • Tijdens de winter genieten we van warme chocolademelk en knusse avonden bij de open haard.
  • De winterse sneeuw zorgde voor een prachtig uitzicht, maar ook voor gladde wegen.
  • In de winter gaan veel mensen op skivakantie naar de bergen om van de sneeuw te genieten.

Woordoorsprong

Het woord 'winter' komt van het Oudnederlands 'wintra', wat verwijst naar de koudste tijd van het jaar. Dit is verwant aan soortgelijke woorden in andere Germaanse talen.

Veelgestelde vragen over Winter

Wat is de betekenis van Winter?

Winter betekent: het vierde van de vier seizoenen: op het noordelijk halfrond van 21 december tot 20 maart, op het zuidelijk halfrond van 21 juni tot 20 september

Welk woordgeslacht heeft Winter?

Winter is een mannelijk (de).

Hoe gebruik je Winter in een zin?

Voorbeeld: “Zou hij hier in de winter zijn geweest? Het zou kunnen; nu Nella dwars door de boomgaard heen loopt, kan ze het zich niet meer herinneren.

Etymologie

*(erfwoord), via Middelnederlands """ van Oudnederlands """, in de betekenis van ‘jaargetijde’ voor het eerst aangetroffen in 1050De verdere herkomst is onzeker. Het woord wordt wel in verband gebracht met water of met het "finn" "wit", het natte of witte jaargetijde dus.

Uitdrukkingen

  • Eén bonte kraai maakt nog geen winterStoett-1265 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelswinter
Franshiver
DuitsWinter
Spaansinvierno
Italiaansinverno
Portugeesinverno
Russischзима
Chinees冬天, 冬季
Japans冬, ふゆ
Koreaans겨울
Arabischشتاء
Turkskış
Poolszima
Zweedsvinter
Deensvinter