Zaat
mannelijk (de)/zat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) droogvallende zandplaat, waar schepen op het droge kunnen liggen voor lossen en laden of voor het werken aan de onderkant
- (waterbeheer) ondergrond waarop een dijk gebouwd wordt, of het terrein wat gebruikt wordt voor de constructie van een zinkstuk
- landhuis met omringende landerijen
Etymologie
*van Middelnederlands "saet", van "zitten"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek