aanblazen

/ˈamblɑzə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) (van een vuur of een oven) aanwakkeren, door erop te blazen of door lucht aan te voeren
    De smeltovens worden aangeblazen met hete lucht.
  2. ov, muziek (ov) (muziek) (van een blaasinstrument) doen klinken, door er op de juiste manier in te blazen
    Het aanblazen van een dwarsfluit is bepaald niet eenvoudig.

Vertalingen

Spaanssoplar, avivar, aspirar