aanbreken

/ˈambrɛkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets voor het eerst openen
    We hebben de andere voorraad nog niet aangebroken.
    We hebben een nieuwe fles wijn aangebroken.
  2. erga (erga) beginnen van een tijdperk (alleen gangbaar in de derde persoon)
    Een nieuw tijdperk breekt nu aan.
    De vakantie is aangebroken.
    ' 'Waarheen?' 'Een paar eendenjagers uit West-Virginia hebben tegen het aanbreken van de dag in de Elk River een lijk gevonden.

Vertalingen

Engelsdawn, break
Franslever
Duitsanbrechen
Spaansabrir, amanecer, empezar
Italiaanssorgere
Portugeesamanhecer