aanspreken

/ˈansprekə(n)/

Wat is de betekenis van aanspreken?

aanspreken betekent: (ov) toespreken

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) toespreken
  2. ov (ov) instemming of weerklank wekken
  3. ov (ov) verantwoording of opheldering vragen
  4. ov, juridisch (ov) (juridisch) om genoegdoening vragen
  5. ov (ov) beginnen uit de voorraad te gebruiken

Voorbeelden van "aanspreken" in een zin

  • De verlegen man durfde het mooie meisje niet aan te spreken op het feeestje.
  • Dat hij hen in het Nederlands had aangesproken, vond zij verre van indrukwekkend.
  • Hoewel het misschien heel goede plannen waren, het sprak de meeste mensen niet aan.
  • Oscar noch hijzelf was erg onder de indruk van dit soort wijsheden, economische speculaties hadden hen nooit aangesproken.
  • Een bezoek bij Hilde is als twee dagen vakantie aan de Oostzee, zei hij altijd, en hij had de indruk dat zijn temperamentvolle complimenten haar wel aanspraken.

Uitdrukkingen

  • in rechte aanspreken: voor het gerecht dagen

Vertalingen

Spaansdirigir la palabra a, dirigirse a, apelar al sentimiento