aanspreken
/ˈansprekə(n)/
Wat is de betekenis van aanspreken?
aanspreken betekent: (ov) toespreken
Betekenis
werkwoord
- (ov) toespreken
- (ov) instemming of weerklank wekken
- (ov) verantwoording of opheldering vragen
- (ov) (juridisch) om genoegdoening vragen
- (ov) beginnen uit de voorraad te gebruiken
Voorbeelden van "aanspreken" in een zin
- De verlegen man durfde het mooie meisje niet aan te spreken op het feeestje.
- Dat hij hen in het Nederlands had aangesproken, vond zij verre van indrukwekkend.
- Hoewel het misschien heel goede plannen waren, het sprak de meeste mensen niet aan.
- Oscar noch hijzelf was erg onder de indruk van dit soort wijsheden, economische speculaties hadden hen nooit aangesproken.
- Een bezoek bij Hilde is als twee dagen vakantie aan de Oostzee, zei hij altijd, en hij had de indruk dat zijn temperamentvolle complimenten haar wel aanspraken.
Uitdrukkingen
- in rechte aanspreken: voor het gerecht dagen
Vertalingen
Spaansdirigir la palabra a, dirigirse a, apelar al sentimiento
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek