aaneenbinden
/anˈenbɪndə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) met touw of koord bundelenHij had de schoenen paarsgewijs met de veters aaneengebonden.
- (refl) aan elkaar vastbinden (ook fig.)Momenteel is er een klein groepje landen dat zich nauw aaneenbindt.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek