aanfluiting

vrouwelijk (de)/ˈaɱflœytɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) iets dat belachelijk of schandelijk is
    Het voordragen van Vladimir Poetin voor de Nobelprijs voor de vrede is een goed voorbeeld van een aanfluiting.
    De Duitse buitenlandminister Johann Wadephul gelooft niet dat de Russische president Vladimir Poetin werkelijk openstaat voor vredesgesprekken met Oekraïne. "Als Poetin over vrede praat, is dat een regelrechte aanfluiting", zei Wadephul tijdens een persconferentie met de Oekraïense minister van Buitenlandse Zaken Andrii Sybiha. "Zijn schijnbare bereidheid om te onderhandelen is tot nu toe slechts een façade", vertelde Wadephul.
  2. uiting waaruit blijkt dat iets belachelijk of schandelijk wordt gevonden

Etymologie

**[1] in de betekenis van ‘voorwerp van bespotting’ voor het eerst aangetroffen in 1637

Vertalingen

Engelsmockery, farce
Fransdérision, honte, simulacre
DuitsHohn, Verhöhnung, Verspotting
Spaansafrenta
Italiaansmarameo, derisione
Portugeespiada
Zweedshån, spe