aangepastheid
vrouwelijk (de)/'anɣəpɑsthɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de mate waarin iets of iemand zich heeft veranderd om beter te kunnen omgaan met veranderde omstandigheden
Etymologie
* afleiding van aangepast
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek