aanleg

mannelijk (de)/ˈanlɛx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het aanleggen
    De aanleg van het nieuwe vliegveld liep grote vertraging op
    Met de aanleg van spoorwegen nam die trend een nog hogere vlucht.
  2. plantsoen
  3. geneigdheid, talent, begaafdheid
    Hij had een grote muzikale aanleg.
  4. instantie
    De zaak werd in eerste aanleg door de kantonrechter behandeld.

Etymologie

* van aanleggen

Vertalingen

Engelsaptitude, talent
DuitsAnlage
Spaansconstrucción, aptitud, capacidad
Italiaanscostruzione
Zweedsanläggning