aanleggen

/ˈanlɛɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. vastmaken
  2. ov (ov) een wapen in de vereiste stand brengen om te schieten
    Zij legden aan en schoten toen het bevel klonk om te vuren.
  3. inerg (inerg) aan de wal gaan liggen
    Na enige vertraging door de mist legde het schip aan in de haven.
  4. een café aandoen
  5. tegen het lichaam leggen
  6. vastleggen
  7. ov (ov) maken van een weg
    Er werd een weg aangelegd die de stad met het nieuwe vliegveld verbond.
    Het is buiten de kwelzucht van de parcoursbouwers gerekend. Hier lag de afgelopen drie keer de eindstreep, maar verderop hebben ze een onverhard pad laten aanleggen. Nog wat verder omhoog, heren!
  8. doen
    'Is er ergens iemand op deze planeet die het er niet op aanlegt zijn politieke opvattingen op mij uit te proberen?' 'Nee,' is het korte antwoord van de ideale geliefde.

Uitdrukkingen

  • een maatstaf aanleggen: een maatstaf gebruiken
  • aanleggen met: zich inlaten met
  • Hij wilde het aanleggen met het mooie meisje.
  • het erop aanleggen: ernaar streven

Vertalingen

Engelsberth, moor
Spaansencarar, apuntar, pararse