aanmaken
/ˈamakə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een bepaalde substantie producerenJonge mensen hebben veel eiwitten nodig, omdat ze veel nieuw weefsel aanmaken.Voor het feit dat een gemiddelde vruchtbare vrouw 100 000 eicellen heeft en een man een biljoen zaadcellen zal aanmaken, die allemaal heel verschillend zijn, maar dat jij er ondanks al die mogelijkheden in bent geslaagd te worden zoals je bent.
- (ov) een nieuw exemplaar van iets maken, voornamelijk op een computerMet deze wizard kun je snel een tabel aanmaken.
- (ov) doen ontbrandenHij ging voor ons het vuur aanmaken met hout.
- (ov) (kookkunst) toebereiden, op smaak brengen door toevoeging van ietseen salade met een dressing aanmakengehakt met uit en kruiden aanmaken
Etymologie
*[1], [2], [4]
Vertalingen
Engelsproduce, create, light
Fransfabriquer, créer, allumer
Duitsanfertigen, machen, anzünden
Spaansproducir, fabricar, crear
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek