aanpakken

/ˈampɑkə(n)/

Wat is de betekenis van aanpakken?

aanpakken betekent: (ov) aanvatten

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) aanvatten
  2. ov (ov) in rechte vervolgen, streng zijn
  3. ov (ov) (door hard werken) een probleem oplossen

Voorbeelden van "aanpakken" in een zin

  • Kun je de dozen even aanpakken.
  • De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gaat brievenbusfirma's harder aanpakken. [http://www.nu.nl/economie/4139158/oeso-pakt-brievenbusfirmas-harder.html www.nu.nl]
  • De leerling pakte zijn studieachterstand stevig aan.
  • ‘Ik had het anders moeten aanpakken. ’ De zin klonk scherper dan voorzien.

Betekenis en uitleg van aanpakken

Het woord 'aanpakken' verwijst naar het actief en doelgericht ondernemen van actie om een probleem of taak op te lossen. Het impliceert vaak een directe en praktische benadering, waarbij je niet afwacht maar zelf in actie komt.

Je gebruikt 'aanpakken' vaak in situaties waarin er iets moet gebeuren, zoals het oplossen van een conflict, het beginnen aan een project of het verbeteren van een situatie. Het woord heeft een positieve connotatie en suggereert vastberadenheid en initiatief. Het kan ook gebruikt worden in informele contexten, zoals wanneer vrienden elkaar aansporen om iets te doen.

Voorbeelden

  • We moeten dit probleem snel aanpakken voordat het erger wordt.
  • Hij besloot zijn studie weer op te pakken en het serieus aan te pakken.
  • De gemeente gaat de verkeersveiligheid in de wijk eindelijk aanpakken.

Woordoorsprong

Het woord 'aanpakken' is samengesteld uit 'aan' en 'pakken', wat samen een actieve benadering van een taak of probleem aanduidt.

Veelgestelde vragen over aanpakken

Wat is de betekenis van aanpakken?

aanpakken betekent: (ov) aanvatten

Hoeveel betekenissen heeft aanpakken?

aanpakken heeft 3 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je aanpakken in een zin?

Voorbeeld: “Kun je de dozen even aanpakken.

Vertalingen

Engelsseize, deal with, tackle
Franssaisir, résoudre
Spaanscoger, asir, tomar
Italiaansafferrare
Deensgribe, forfølge, håndtere