aanpakken
/ˈampɑkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) aanvattenKun je de dozen even aanpakken.
- (ov) in rechte vervolgen, streng zijnDe Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gaat brievenbusfirma's harder aanpakken. [http://www.nu.nl/economie/4139158/oeso-pakt-brievenbusfirmas-harder.html www.nu.nl]
- (ov) (door hard werken) een probleem oplossenDe leerling pakte zijn studieachterstand stevig aan.‘Ik had het anders moeten aanpakken. ’ De zin klonk scherper dan voorzien.
Vertalingen
Engelsseize, deal with, tackle
Franssaisir, résoudre
Spaanscoger, asir, tomar
Italiaansafferrare
Deensgribe, forfølge, håndtere
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek