aanpassingsperiode

vrouwelijk (de)/ˈampɑsɪŋsˌperijodə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een periode die nodig is of verondersteld wordt nodig te zijn voor een aanpassing
    Deze personen kunnen na een aanpassingsperiode minimaal drie maanden en op basis van een positief advies van een oogarts weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 2.