aanrijden

/ˈanrɛidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. verkeer (verkeer) rijdend aankomen (m.n. in een auto)
    Hij kwam wat eerder aangereden dan we verwacht hadden.
    Terwijl ik in de S-Bahn stap die net komt aanrijden, dringt pas in zijn volle omvang tot mij door wat ik net in Museum Berggruen heb gezien.
  2. ov, verkeer (ov), (verkeer) tegen iets rijden, een botsing veroorzaken
    Mensen aanrijden, mensen van rotsen gooien.
    Hij werd aangereden door een motorrijder.
    De reebok werd in het kader van het project Ruimte voor aaseters in de natuur neergelegd. Kadavers zijn schaars, schrijven de deelnemende natuurorganisaties op hun website. Aangereden wild wordt vaak vernietigd en ook in natuurgebieden worden dode dieren opgeruimd. Door verkeersslachtoffers terug te plaatsen, hopen de organisaties dat grote aaseters weer terugkeren in de natuur. NRC Lucas Brouwers 13 maart 2012
  3. intr (intr) (gewestelijk), (vooral in Noord-Brabant) "aankomen" [1], arriveren
  4. intr (intr) (gewestelijk), (vooral in Noord-Brabant) "vertrekken", weggaan

Vertalingen

Engelscollide
Fransheurter
Duitsanfahren
Spaansatropellar