aanschouwer

mannelijk (de)/anˈsxɑuwər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon die iets waarneemt zonder zelf deel uit te maken van de handeling
    Op dezelfde manier kan een zenboeddhistische kom, waarvan vorm en ontwerp zinspelen op bescheidenheid, waardige eenvoud en welwillende aanvaarding van onvolmaaktheid, de aanschouwer terugbrengen naar de grondbeginselen van de zenleer.

Etymologie

*afgeleid van "aanschouwen"