aanslag
mannelijk (de)/ˈanslɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het aanslaan van iets' De aanslagen van de oefenrevolvers met hun blauwe kolven zorgden voor zo'n herrie, dat Brigham in haar oor moest schreeuwen.
- (muziek) wijze van aanslaan van toetsenHet meisje had een mooie aanslag op de piano.
- (juridisch), (financieel) vordering van de belastingdienstDe aanslag werd in Nederland verzonden in de beruchte blauwe envelop.
- op zichzelf staande aanval op een doelwitDe aanslag op de twin towers is de bekendste terroristische aanslag.Op Hitler werden in totaal 42 aanslagen gepleegd, helaas ging er steeds wat misDit overzicht betekent dat Ziegler een link heeft gelegd tussen de aanslagen op mij en mijn baan als kunstvervalser.
- korst van afgezet vuilIn het huis van de alcoholist waren alle wastafels bedekt met een vieze aanslag.Had je het naar je zin in Assendelft?' Het valt Nella op dat Agnes aanslag op haar tanden heeft.
- (techniek) een voorziening op een rail of as die de bewegingsruimte van een of ander mobiel onderdeel beperkt
Etymologie
* Substantivering van "aanslaan"
Uitdrukkingen
- Iets in de aanslag hebben — Iets gereed hebben
- (militair) in de aanslag brengen: tegen de wang leggen
Vertalingen
Engelstouch, tax assesment, attack
Fransfrappe, assaut
DuitsAttentat
Spaansatentado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek