aanslag

mannelijk (de)/ˈanslɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het aanslaan van iets
    ' De aanslagen van de oefenrevolvers met hun blauwe kolven zorgden voor zo'n herrie, dat Brigham in haar oor moest schreeuwen.
  2. muziek (muziek) wijze van aanslaan van toetsen
    Het meisje had een mooie aanslag op de piano.
  3. juridisch, financieel (juridisch), (financieel) vordering van de belastingdienst
    De aanslag werd in Nederland verzonden in de beruchte blauwe envelop.
  4. op zichzelf staande aanval op een doelwit
    De aanslag op de twin towers is de bekendste terroristische aanslag.
    Op Hitler werden in totaal 42 aanslagen gepleegd, helaas ging er steeds wat mis
    Dit overzicht betekent dat Ziegler een link heeft gelegd tussen de aanslagen op mij en mijn baan als kunstvervalser.
  5. korst van afgezet vuil
    In het huis van de alcoholist waren alle wastafels bedekt met een vieze aanslag.
    Had je het naar je zin in Assendelft?' Het valt Nella op dat Agnes aanslag op haar tanden heeft.
  6. techniek (techniek) een voorziening op een rail of as die de bewegingsruimte van een of ander mobiel onderdeel beperkt

Etymologie

* Substantivering van "aanslaan"

Uitdrukkingen

  • Iets in de aanslag hebbenIets gereed hebben
  • (militair) in de aanslag brengen: tegen de wang leggen

Vertalingen

Engelstouch, tax assesment, attack
Fransfrappe, assaut
DuitsAttentat
Spaansatentado