aansteker

mannelijk (de)/ˈanstekər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) apparaatje om vuur te maken
    Een roker die geen aansteker bij zich heeft kan zijn sigaret niet aansteken.
    ' Met trage passen ging hij hen voor de houten trap op en toen ze waren gaan zitten, stak Lowrie een sigaret tussen zijn neerwaarts gebogen lippen en begon met een aansteker te knippen.
  2. brandstichter

Etymologie

*afgeleid van aansteken

Vertalingen

Engelslighter
Fransbriquet
DuitsFeuerzeug
Spaansmechero, encendedor, yesquero
Russischзажигалка
Poolszapalniczka