aansukkelen

Betekenis

werkwoord
  1. op een onhandige manier bewegen of voortgaan
    Ik fietste naar mijn werk en daar bleef het wel bij. Ik was te zwaar en leefde ongezond. Tot ik zeven jaar geleden een hartoperatie moest ondergaan. Toen ging de knop om. Althans, niet direct. In eerste instantie bleef ik - ondanks waarschuwingen van mijn zoon dat ik meer moest bewegen - nog aansukkelen. Tot ik wéér niet goed werd.
    Nu we tegen juli aansukkelen, moeten we God en klein Pierke middels een promotiecampagne duidelijk maken dat er in Zevergem best wat te beleven valt. Tijd om de wereld, na enkele weken van intensief kontzitten, te verfraaien met onze affiches.