aantijging

vrouwelijk (de)/ˈantɛiɣɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kwaadwillige en/of ongegronde beschuldiging
    De kamervoorzitter was al de aantijgingen beu en nam haar ontslag.
    Was dat niet die club die burgers kunst en antiek afhandig maakte via valse aantijgingen? Waarna alles verkocht werd aan het Westen? Daar heb ik iets over gelezen, zij het al een tijd geleden.

Etymologie

* van aantijgen