aanval
mannelijk (de)/ˈaɱvɑl/
Wat is de betekenis van aanval?
aanval betekent: een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven en daarbij de eigen positie te verbeteren
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven en daarbij de eigen positie te verbeteren
- (medisch) plotselinge, vaak kortstondige, aandoening bijv. een griepaanval, hartaanval etc.
- (figuurlijk) het plotseling en hevig komen opzetten van iets (veelal onaangenaams) in het algemeen
Voorbeelden van "aanval" in een zin
- De man werd blind na de aanval door een wild dier.
- De aanval is soms de beste verdediging
- Keer op keer deed de vlieg een aanval op haar neus, en hoewel ze hem telkens wegwuifde bleef hij met grote vasthoudendheid en niet-aflatende energie terugkomen.
- Tijdens het slaapverwekkende college kregen veel leerlingen last van een aanval van slaap.
- Ze gaf over en kreeg aanvallen van diarree.
Etymologie
* van aanvallen
Vertalingen
Engelsassault, attack
Spaansacometida, ataque
Italiaansassalto
Poolsnapad, napaść
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek