aanval

mannelijk (de)/ˈaɱvɑl/

Wat is de betekenis van aanval?

aanval betekent: een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven en daarbij de eigen positie te verbeteren

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven en daarbij de eigen positie te verbeteren
  2. medisch (medisch) plotselinge, vaak kortstondige, aandoening bijv. een griepaanval, hartaanval etc.
  3. figuurlijk (figuurlijk) het plotseling en hevig komen opzetten van iets (veelal onaangenaams) in het algemeen

Voorbeelden van "aanval" in een zin

  • De man werd blind na de aanval door een wild dier.
  • De aanval is soms de beste verdediging
  • Keer op keer deed de vlieg een aanval op haar neus, en hoewel ze hem telkens wegwuifde bleef hij met grote vasthoudendheid en niet-aflatende energie terugkomen.
  • Tijdens het slaapverwekkende college kregen veel leerlingen last van een aanval van slaap.
  • Ze gaf over en kreeg aanvallen van diarree.

Etymologie

* van aanvallen

Vertalingen

Engelsassault, attack
Spaansacometida, ataque
Italiaansassalto
Poolsnapad, napaść