aanvallen

/ˈaɱvɑlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) aangrijpen
  2. ov (ov) het initiatief nemen in het gevecht, aantasten
    In mei 1940 werden de Lage Landen aangevallen.
    Als dat zo was, dan had zijn foto een duidelijke boodschap: de valk gaat aanvallen en het lam volgt, oftewel, er is een oorlog op komst en de meute doet mee.
    Het is waarschijnlijk mede daarom dat de aanvallen van de orthodoxe theologen uit Leuven, Parijs en Spanje hem zo diep raakten.
  3. ~ op: kritiek geven op
    Hij viel de minister aan op zijn geldverslindende beleid.

Vertalingen

Engelsattack, assault
Spaansacometer, atacar, asaltar
Italiaansassalire
Poolsnapaść, zaatakować