aanvaren

/ˈaɱvarə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) varend botsen op
    Door de dichte mist bestond het gevaar aangevaren te worden.
  2. erga (erga) varend naderen
    Hij kwam wat te vroeg aangevaren.
  3. aanbrengen
  4. (maritiem) binnenlopen