aanvechten

/ˈaɱvɛxtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) betwisten
    Hij vocht het oordeel aan bij de rechter.
    De student vocht de onvoldoende die hij gekregen had aan bij de examencommissie.
    Men zag niet meer zo goed in waarom de meningen van vorsten nooit konden worden aangevochten of waarom de aristocratie, om nog maar te zwijgen van het gewone volk, niet enige invloed op het eigen bestaan mocht hebben.

Vertalingen

Engelschallenge, question
Spaanscontradecir, discutir, objetar