aanvoer
mannelijk (de)/ˈaɱvur/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het aanbrengen met een leiding of voertuig
- het aangevoerde
- voor aanvoer dienend
Vertalingen
Engelsfeedpipe, supply, supply
Fransarrivage, carriage, transport
DuitsZufuhr, Nachschub, Zufuhr
Spaansaprovisionamiento, aprovisionamiento
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek