aanvoeren

/ˈaɱvurə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bevel voeren over, leiden
    Na enkele grote overwinningen kreeg hij een groot leger om aan te voeren.
  2. ov (ov) aanbrengen, naartoe transporteren
    Zij voeren graan aan nu de oogst verloren is gegaan.
    'De Route Nationale 7 is nog altijd belangrijk voor ons, omdat ze veel toeristen aanvoert, zegt Sandro Belle (30), chef de cuisine van het Vineum in Tain l'Hermitage, een lunchrestaurant en wijnproeverij, twee jaar geleden geopend door de grote wijnproducent Paul Jaboulet Ainé.
  3. ov (ov) bijbrengen als bewijs
    De verdediging wil ook nog iets aanvoeren.
    De meest uitgesproken tegenstanders van reclame hebben aangevoerd dat er regelrecht bedrog mee wordt gepleegd.

Vertalingen

Engelscommand, supply, adduce
Franscommander, véhiculer, alléguer
Duitsanführen, zuführen, anführen
Spaansacaudillar, comandar, encabezar
Deensanføre, tilføre, indføre