aanvullen

/ˈaɱvʏlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) het ontbrekende bijvoegen
    Iedere dag moest de supermakt zijn voorraden weer aanvullen.
  2. ov (ov) samen een compleet geheel maken
    De mooie das vulde het mooie pak aan.
    De norse man werd gelukkig goed aangevuld door zijn veel vriendelijkere vrouw.

Vertalingen

Engelsadd, complete, replenish
Duitsauffüllen, ergänzen, vervollständigen
Spaanscompletar, suplir
Italiaansempire