aanwandelen
Betekenis
werkwoord
- al lopend ergens arriveren; te voet ergens arriverenHet was alsof de leesten zelf door sneeuw en moeras waren komen aanwandelen, zodat de meester, die ik nog niet had ontmoet, de gelegenheid zou krijgen zijn prachtige schoenen te vervaardigen.Het overleg is begonnen. Rutte en Samsom kwamen aanwandelen terwijl er, zoals iedere dag, weer een groepje journalisten bij de ingang van het Binnenhof stond op te wachten.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek