aanlopen

/ˈanlopə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) duren
    Het was al tegen sluitenstijd aangelopen.
  2. erga (erga) in botsing komen met een staand voorwerp
    Hij liep tegen de punt van de tafel aan en bezeerde zich danig.
  3. erga (erga) komen ~: ongewild ergens arriveren
    Deze poes is hier vorige maand aan komen lopen.
  4. erga (erga) van een motor e.d.: enigszins verkeerd lopen waardoor grote wrijving of blokkering veroorzaakt wordt
    Zo te horen loopt er iets aan!
  5. erga (erga) rood/blauw ~ een bepaalde kleur krijgen van opwinding of koude
    Na de akelige opmerking liep hij helemaal rood aan.
    De schaamte én gereserveerdheid verdwenen met de felle ademstoot die aan haar longen ontsnapte. Ze had het gevoel dat ze rood aanliep.
  6. erga (erga) ~ bij terloops bezoeken
    We zijn even bij haar aangelopen.
  7. ov (ov) varend bezoeken
    Beide havensteden werden aangelopen tijdens de rondvaart.
  8. iets lopend bezoeken

Vertalingen

Engelsrun into, turn
Duitsanlaufen, anfahren, anlaufen