aanwending

vrouwelijk (de)/ˈaɱwɛndɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het iets ergens voor gebruiken
    De aankoop van dat ‘huis’ - duinvilla is een betere benaming - is namelijk een van de belangrijkste redenen voor de schorsing. De lening voor de koopsom van 1,5 miljoen is verstrekt door Monticello, een van Roets bv’s op het eiland Man. De rechtbank vraagt zich af „of hier sprake is van een oneigenlijke aanwending van de inleggelden van de deelnemers”: of de hypotheek dus bestaat uit het inschrijfgeld à 35 euro per Loterijverlies-deelnemer. NRC Camil Driessen 14 oktober 2016

Etymologie

* van aanwenden