aanwezigheid

vrouwelijk (de)/aɱˈwezəxhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
    Ik ritste mijn tent weer open en scheen met mijn hoofdlamp onder mijn tentzeil. Daar zag ik tot mijn verbazing duizenden termieten die in lange colonnes hun larven aan het evacueren waren vanwege mijn aanwezigheid. Ik had mijn tent precies bovenop een ondergrondse termietenkolonie geplaatst.
    Het andere interessante aan Davis' aanwezigheid online was dat die op de dag dat zijn vader verdween helemaal ophield.

Etymologie

*Afgeleid van aanwezig .

Vertalingen

Engelspresence, attendance
Fransprésence
Spaanspresencia
Italiaanspresenza
Poolsobecność