afwezigheid
vrouwelijk (de)/ɑfˈwezəxˌhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaatsHet was nog te vroeg om te weten of ik blind en/of dwaas was geweest om zo lang van huis te zijn. De tijd zou uitwijzen wat de gevolgen van mijn lange afwezigheid zouden zijn op mijn kinderen.
Etymologie
*Afgeleid van afwezig
Vertalingen
Engelsabsence
Fransabsence
DuitsAbwesenheit
Spaansausencia
Italiaansassenza
Portugeesausência, falto
Turksyokluk
Poolsnieobecność
Deensfraværelse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek