afwezigheid

vrouwelijk (de)/ɑfˈwezəxˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
    Het was nog te vroeg om te weten of ik blind en/of dwaas was geweest om zo lang van huis te zijn. De tijd zou uitwijzen wat de gevolgen van mijn lange afwezigheid zouden zijn op mijn kinderen.

Etymologie

*Afgeleid van afwezig

Vertalingen

Engelsabsence
Fransabsence
DuitsAbwesenheit
Spaansausencia
Italiaansassenza
Portugeesausência, falto
Turksyokluk
Poolsnieobecność
Deensfraværelse