aardewerk

onzijdig (het)/ˈardəˌwɛrᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gebakken vaatwerk en sierstukken, gevormd uit aarde, klei of leem. Keramiek
    In Delft en Makkum werd veel aardewerk gemaakt.
    Wij hebben kopjes en borden van aardewerk terwijl mijn ouders porseleinen vaatwerk hebben.
    Er stonden gedetailleerde artikelen in over de totstandkoming van pijporgels, de bewerking van materialen in een draaibank, baktechnieken en suikerraffinage, papierscheppen en boekbinden, leerlooien en zeepzieden, mijnbouw en metallurgie en de productie van porselein en aardewerk.

Etymologie

* In de betekenis van ‘vaatwerk van aarde’ voor het eerst aangetroffen in 1596

Vertalingen

Engelspottery, crockery, earthenware
Franspoterie, faïence, céramique
DuitsSteingut
Spaanscerámica, loza
Italiaansterraglie, ceramica
Portugeescerâmica
Russischкерамика
Poolsceramika
Zweedskeramik
Deenskeramik