aardigheid
vrouwelijk (de)/'ardəxhɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het prettige, het bevalligeWij kregen de verzekering dat het geheim bewaard zou blijven, maar de man leek versuft, en hoewel wij terugkeerden naar ons „toneel", was de aardigheid er eigenlijk af.
- grapje
- kleine lieve verrassing
- eigenaardigheid (Vlaams)
Etymologie
*Afgeleid van aardig
Vertalingen
Engelspleasure, fun
Franspleasanterie, plaisir
DuitsFreude
Spaansgracia, lindeza, gentileza
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek