aartshertog

mannelijk (de)/'artshɛrtɔx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. adel (adel) een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
    Kinderen uit morganitische huwelijken zijn geen aartshertogen maar Graaf of Gravin van Habsburg.
    De neef van Filips van Spanje, aartshertog Karel, was een van de gegadigden; de hertog van Savoye was een andere; vervolgens werd prins Karel van Zweden ten tonele gevoerd.

Etymologie

*Afgeleid van hertog

Vertalingen

Engelsarchduke
Fransarchiduc
DuitsErzherzog
Spaansarchiduque
Italiaansarciduca
Portugeesarquiduque, grão-duque
Russischэрцгерцог
Poolsarcyksiążę
Zweedsärkehertig