aarzelen
/ˈarzələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) onzeker zijn, twijfelenHij aarzelde nog wel een beetje, maar ging uiteindelijk toch.Wilt u uw verhaal kwijt, aarzel dan niet.Zin om maandag na school naar mij te komen? Een film kijken ofzo? Ik aarzelde even voor ik ten slotte schreef: Goed.
Etymologie
*(freqtt) Middelnederlands eersen . Het eerste deel is hetzelfde woord als aars. In de betekenis van ‘weifelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1600
Vertalingen
Engelshesitate
Franshésiter
Duitszögern
Spaansvacilar, titubear, dudar
Italiaansesitare
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek