aasgier

mannelijk (de)/ˈasxir/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. havikachtigen (havikachtigen) bepaald soort roofvogel, , een van aas levende gier
    De aasgier komt vooral in Afrika maar ook in het zuiden van Europa voor.
  2. figuurlijk, scheldwoord (figuurlijk), (scheldwoord) iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
    Nu hij bankroet gaat, blijken veel van zijn vroegere vrienden niets anders dan aasgieren te zijn.
    Hij verwacht op zijn minst een degelijke boodschapper - iemand met de tronie van een doodsengel die met de nodige ernst zo'n mededeling kan doen. Iemand met de kop van een aasgier. Maar Lakhaar en Blauwgymp hebben niets weg van een Azraël.
    Kwamen al mijn zonden uit het verleden en mijn zorgeloze lichtzinnigheden weer terug als aasgieren, wachtend op het einde? Ik drukte mijn zoon tegen me aan; ik wilde niet dat hij keek.

Vertalingen

Engelsvulture, vulture
Fransvautoure, charognard, vautour
DuitsAasgeier, Aasgeier, Halsabschneider
Spaansalimoche, buitre
Italiaansavvoltoio, avvoltoio
Russischстервятник, гриф, хищник
Japansエジプトハゲワシ
Arabischعُقَاب
Poolssęp kasztanowaty, sęp
Zweedsgam, gam
Deensådselgrib