aassoort
mannelijk/vrouwelijk (de)/'asort/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- soort voedsel waarmee men vissen lokt die men wil vangenDe 32-jarige zat daar met drie hengels. De 36-jarige had eveneens drie hengels en viste met een verboden aassoort (stukjes vis, terwijl dit tot 31 mei niet is toegestaan).
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek