abortus

mannelijk (de)/ɑ'bɔrtəs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) een opzettelijk afgebroken zwangerschap, abortus provocatus
    Zij liet een abortus plegen.
    Ze waren allebei linksradicalen geweest in hun jeugd in Duitsland, Christa had zelfs jarenlang seksuele voorlichting gegeven aan de arbeidersklasse in Berlijn, ze had bovendien meerdere abortussen gehad in die jaren.
    Wordt het abortus? Als we Ingeborg nog onder ons hadden.... nee, dat wordt het niet.
  2. medisch (medisch) een spontane miskraam
    Een abortus wordt vaak veroorzaakt door ernstige afwijkingen bij de vrucht.

Etymologie

* uit het Latijn

Vertalingen

Engelsabortion, miscarriage
Fransavortement
DuitsAbtreibung, Schwangerschaftsabbruch
Spaansaborto