abrikozengelei

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gebonden sap van abrikozen
    Cees’ taart is van harde wenerdeeg (bros door de Zeeuwse bloem en basterdsuiker) met onderin een dunne laag amandelspijs, zodat het deeg niet zompig wordt. Na het bakken doet hij er abrikozengelei overheen.
    Binnenin de chocolade zit immers geen chocolade, maar een moeilijk thuis te wijzen witte brij met in het midden abrikozengelei.