achterdeur

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɑxtərˌdør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deur langs de achterkant van een gebouw
    In een dorp komt men meestal via de niet gesloten achterdeur binnen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) niet-officiële of heimelijke werkwijze
    Hij heeft zijn diploma via een achterdeurtje gehaald.
    Als de overheid immers zélf procespartij is, heeft die wel toegang tot alle uitspraken. Via de achterdeur – de databases van de rechtbanken. Burgers hebben dat niet. Dat is rechtsongelijkheid die niet kan.

Vertalingen

Spaanspuerta trasera
Italiaansporta di dietro