ader
mannelijk/vrouwelijk (de)/adər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) een vat waardoor zuurstofarm bloed vanuit de weefsels naar het hart beweegtDe holle aders zijn de grootste aders van het menselijk lichaam.Het bloed in mijn aderen is ontdaan van warmte en wordt tegen de zin van mijn geest rondgepompt.De spieren en aders in zijn nek zwollen op en de vingers van zijn linkerhand waren tot een vuist gebald.
- (mijnbouw) een langgerekt lichaam erts te midden van het gesteenteNa lang graven vonden de mijnwerkers een ader met een hoog goud gehalte.
- bochtige, kronkelige streep in hout (nerf), marmer etc.Helaas liep er een grote ader door het marmer waardoor het minder waard was.
- (elektrotechniek) een met een isolerende stof omgeven geleider in een kabelOm de terminals op de computer aan te sluiten was er in het gebouw 10-aderig kabel aangebracht en om het nu niet te makkelijk te maken waren ze allemaal van dezelfde kleur.
Etymologie
* uit het Middelnederlands
Vertalingen
Engelsvein
Fransveine
DuitsAder
Spaansvena, filón, veta
Italiaansvena
Russischвена, жила
Japans静脈
Turksdamar
Poolsżyła
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek