adventskaars
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑt'fɛntskars/
Wat is de betekenis van adventskaars?
adventskaars betekent: elk van de vier kaarsen in de adventskrans die men aansteekt in de periode voor het kerstfeest
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- elk van de vier kaarsen in de adventskrans die men aansteekt in de periode voor het kerstfeest
Voorbeelden van "adventskaars" in een zin
- Een kaars die in verband gebracht wordt met Gods beloften. Het is een terugkeer naar het Oude Testament. In Drachten werd het zo weergegeven: „Opnieuw werden we in afwachting van het Heilsfeit verblijd door het aansteken van een adventskaars...”
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek