afbouw

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) het tot voltooiing afbouwen van een bouwwerk
  2. geleidelijke beëindiging als functie van tijd of een andere parameter
    In dit intakegesprek worden uw problemen geïnventariseerd en wordt er met u gesproken over uw motivatie voor de afbouw van uw medicatie
    De dubbele heffingskorting voor kostwinners wordt in 15 jaarlijkse stappen afgebouwd.
    De algemene heffingskorting wordt, als functie van het inkomen in box 1, in de tweede en derde schijf afgebouwd.