afbouwperiode
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- tijdsbestek waarin men geleidelijk met iets stoptAkzoNobel liet vrijdag weten de eisen van de bonden onredelijk te vinden er er om die reden niet op ingegaan te zijn. 'AkzoNobel is en blijft van mening dat het aangeboden mobiliteitsplan en de uitgebreide afbouwperiode van 3 jaar bovengemiddeld fair en ruimhartig zijn.'In 2012 nam het parlement een wet aan waarin de nertsenfokkerij per 2024 wordt verboden. Tot dat jaar geldt een afbouwperiode. Tijdens de overgangsperiode kunnen de nertsenhouders hun ondernemingen voortzetten en winst maken.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek