afdrogen

/ˈɑvdroɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) het vocht wegnemen van iets of iemand
    Voor straf moest hij de vaat afdrogen.
    Na het zwemmen moet je je goed afdrogen.
    Haar huid was nog niet op de normale lichaamstemperatuur en bij het afdrogen had ze vast hier en daar een stukje overgeslagen.
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) op verpletterende wijze verslaan
    Zij werden helemaal afgedroogd door het andere team.
  3. ov, figuurlijk, informeel (ov) (figuurlijk) (informeel) afranselen
    Hij droogde de vervelende jongen helemaal af.

Vertalingen

Engelsdry off
Fransessuyer, sécher
Duitsabtrocknen