affiliëren

/ˌɑfiliˈjerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) zich affiliëren aansluiten bij
    Een vraag die in de sociale psychologie veelvuldig naar voren komt is met wie wij ons als mens graag affiliëren.
  2. religie (religie) (rooms-katholiek) als onderdeel aansluiten bij een orde
    In 1493 affilieerde het naburige zusterhuis Mariengarden te Schüttorf zich met het zusterhuis Mariënwold te Frenswegen.
  3. refl, figuurlijk (refl) zich affiliëren (figuurlijk) dezelfde opvattingen laten zien, verwantschap tonen
    Daarnaast affiliëren veel extreemrechtse groepen zich met het nazisme (…).
  4. intr (intr) lid of zelfstandig onderdeel zijn van
    Die belangrijke beslissing zette tal van broeders van andere werkplaatsen tot affiliëren aan.
  5. deel gaan uitmaken van een samenwerkingsverband van een academisch ziekenhuis en een niet-academisch ziekenhuis
    Veel van die ziekenhuizen zeggen onder druk van de specialisten: nee, niet affiliëren met een academisch ziekenhuis hoor.
  6. intr, figuurlijk (intr) (figuurlijk) geestverwant zijn van
    (…) de economische sector, een terrein waar erfgoedbeheerders zich doorgaans minder mee geaffilieerd voelen.
  7. ov (ov) met betrekking tot personen als lid opnemen
    Opgericht eind 1881 door sociaal-democraten, affilieerde ze in 1914 een kwart van de Gentse bevolking!
  8. (vrijmetselarij) een vrijmetselaar uit een andere loge als lid in een loge opnemen[http://www.dbnl.org/tekst/_alg008alge01_01/_alg008alge01_01_0001.php?q=geaffilieerdhl1 "Affiliatie" in: Algemeen wijsgeerig, geschiedkundig en biographisch woordenboek voor vrijmetselaren. Deel 1. (1844) W. de Grebber, Amsterdam]; p. 6; geraadpleegd 2016-09-17
    In 1789 werd hij geaffilieerd bij de Loge zu den drei Schwerdtern, te Dresden, (…)
  9. religie (religie) (rooms-katholiek) opnemen in een klooster of orde als deelgenoot met de daaraan verbonden rechten
    In 1475 vinden wij hem als terminarius te Arnhem, terwijl hij in het volgend jaar geaffilieerd werd aan het dominicanen-klooster te Nijmegen, en aldaar eerlang tot prior verheven.
  10. verouderd (verouderd) als kind in de familie opnemen, adopteren
  11. verouderd, figuurlijk (verouderd) (figuurlijk) als eigen voortbrengsel aanvaarden
    Ik heb volstrekt geen ambitie of lust om iets, wat het ook zij, in 't licht te geven; doch, wanneer ik zulks eens doe, op verzoek, heb ik er nog veel minder lust in om bastaard-onzin te affilieren, mij door 't verzuim of de stommigheid van een verraderlijk drukker op den hals gedraaid, en dien ik mij schamen zou ter neder geschreven te hebben.
  12. ov (ov) met betrekking tot organisaties als zelfstandig onderdeel in een groter geheel opnemen
    IBE werkt momenteel aan de uitbreiding van het consortium via het affiliëren van extra leden, waaronder VUB.
    In 1954 richtte hij de People's Action Party op welke geaffilieerd is met de internationale socialistische beweging.
  13. bedrijfskunde (bedrijfskunde) in een groep ondernemingen samenvoegen
    APEC is geaffilieerd met het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen.
  14. (vrijmetselarij) als loge gaan horen bij een ander grootoosten of een andere grotere loge dan oorspronkelijk[http://www.dbnl.org/tekst/_alg008alge01_01/_alg008alge01_01_0001.php?q=geaffilieerdhl1 "Affiliatie" in: Algemeen wijsgeerig, geschiedkundig en biographisch woordenboek voor vrijmetselaren. Deel 1. (1844) W. de Grebber, Amsterdam]; p. 6; geraadpleegd 2016-09-17
  15. religie (religie) (rooms-katholiek) als onderdeel opnemen in een orde
    Hij kreeg dat jaar de machtiging om de Broederschap te affiliëren aan de Aartsbroederschap van O.L. Vrouw van Lourdes.

Etymologie

*afgeleid van het Franse affilier () [https://fr.wiktionary.org/wiki/affilier Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsaffiliate
Fransaffilier
Duitsaffiliieren
Spaansafiliar, prohijar
Italiaansaffiliare
Poolsafiliować