afgang

mannelijk (de)/ˈɑfxɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een schaamtevolle mislukking die gezichtsverlies veroorzaakt terwijl men er toch wel veel van verwacht had
    De leerling begon te stotteren omdat hij bang was dat zijn spreekbeurt een totale afgang zou worden.