afgeven

/ˈɑfɣevə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) achterlaten op de plek van bestemming
    Gevonden voorwerpen kunnen worden afgegeven bij de conciërge.
  2. inerg (inerg) bij aanraking een substantie afscheiden
    Kijk uit hoor, die muur geeft af.
    De rode handdoek heeft in de was afgegeven, nu hebben we allemaal roze onderbroeken.
  3. ~ op: iets of iemand niet goed vinden en dat ook zeggen
    Zij geven altijd af op hun ouders.

Vertalingen

Engelsdeliver, leave, run
Fransremettre, déteindre sur, déteindre
Duitsabgeben, abfärben
Spaansentregar