afgeven
/ˈɑfɣevə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) achterlaten op de plek van bestemmingGevonden voorwerpen kunnen worden afgegeven bij de conciërge.
- (inerg) bij aanraking een substantie afscheidenKijk uit hoor, die muur geeft af.De rode handdoek heeft in de was afgegeven, nu hebben we allemaal roze onderbroeken.
- ~ op: iets of iemand niet goed vinden en dat ook zeggenZij geven altijd af op hun ouders.
Vertalingen
Engelsdeliver, leave, run
Fransremettre, déteindre sur, déteindre
Duitsabgeben, abfärben
Spaansentregar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek