afkering

vrouwelijk (de)/'ɑfkerɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het zich ergens van afwenden
    Jeremia 8:5: Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met een altoosdurende afkering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keren. (Statenvertaling)

Etymologie

* van afkeren