afkeer

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een sterke behoefte om zich tegen iets te keren omdat je het vervelend of verkeerd vindt
    Sommige mensen hebben een afkeer van het drinken van alcohol.
    Hij keek met afkeer naar de vechtende mannen.
    Volgens het onderzoek ondervinden tussen de 600.000 en 800.000 Nederlanders ernstige hinder van verkeerslawaai. Ze zijn boos en hebben gevoelens van afkeer, onbehagen en onvoldaanheid. Nog eens 300.000 mensen hebben slaapproblemen door verkeerslawaai.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘weerzin’ voor het eerst aangetroffen in 1611

Vertalingen

DuitsAbneigung
Spaansaversión, animadversión
Italiaansavversione